"Over levend verlies, volwassen worden en een plek vinden
waar jij je licht mag laten stralen."
Deze maand in Fluisteringen van het Leven
Soms proberen we onszelf passend te maken in de ruimte waarin we terechtkomen.
We leren, veranderen, passen ons aan en proberen rekening te houden met wat er van ons wordt verwacht.
Maar wat als niet alles aan ons veranderd hoeft te worden?
Deze maand deel ik weer een persoonlijk verhaal
over Wessel die achttien werd en een nieuwe fase die daarmee begint.
Over mijlpalen en levend verlies.
Over de zoektocht naar een plek waar heel Wessel mag passen.
En over de spiegel die die zoektocht mij onverwacht voorhield.
Want misschien hoeven we niet altijd zachter te worden,
ons licht te dimmen of onszelf passend te maken.
Soms mogen we ook op zoek naar de ruimte
waarin we mogen groeien zonder onszelf te verliezen.
Misschien herken je iets van jouw eigen zoektocht in dit verhaal.
Lieve jij,
De zomervakantie zit er weer op.
Vakantie betekent bij ons al achttien jaar iets anders dan bij veel andere gezinnen.
Sinds Wessel geboren is, zijn we niet meer echt op vakantie geweest.
Niet omdat ik geen behoefte heb om andere plekken te zien.
En ook niet omdat we geen mooie dingen willen beleven.
Maar omdat vakantie voor mij geen vakantie is wanneer ik terechtkom in een onbekende omgeving
die eigenlijk niet op Wessel is ingericht.
Thuis ken ik de omgeving. Ik weet dat hij veilig slaapt. Ik weet waar hij tot rust kan komen. Ik weet welke dingen goed gaan, waar mogelijke struikelblokken zitten en waar we beter niet aan kunnen beginnen.
Op een onbekende plek valt een groot deel van die voorspelbaarheid weg.
En waar een ander tijdens een vakantie juist even nergens over na wil denken,
moet ik dan voortdurend vooruitdenken.
Waar gaan we eten?
Is het er niet te druk?
Kan Wessel daar zitten?
Wat komen we onderweg tegen?
Hoe reageert hij daarop?
Waar kan hij zich terugtrekken als het te veel wordt?
En wat doen we als zijn hoofd toch overloopt?
Dan kun je het technisch gezien vakantie noemen.
Maar voor mij voelt het niet als vakantie.
Dus doen we het al jaren anders.
Wij maken dagtripjes.
Een dag eropuit.
Mooie dingen zien.
Lekker eten.
Samen lachen.
Herinneringen maken.
En daarna weer naar huis.
Naar zijn eigen omgeving.
Zijn eigen spullen.
Zijn eigen veiligheid.
Misschien klinkt dat kleiner dan twee weken met koffers vertrekken.
Voor mij voelt het inmiddels helemaal niet meer klein.
Want als ik terugkijk, bestaat ons leven uit ontzettend veel van die dagen.
En ook deze zomer hebben Wessel en ik er weer een paar aan onze verzameling toegevoegd.
Misschien waardeer ik die momenten inmiddels zelfs meer dan vroeger.
Niet omdat ze spectaculair moeten zijn.
Juist omdat ik steeds beter besef dat het leven voor een groot deel bestaat uit al die gewone momenten die je op het moment zelf misschien niet eens als bijzonder bestempelt.
Tot je er later op terugkijkt.
Deze zomer zat daar bovendien een behoorlijk grote mijlpaal tussen.
Wessel werd achttien.
Achttien.
Het blijft een bijzonder getal.
Officieel volwassen.
Een leeftijd die voor veel jongeren symbool staat voor vrijheid.
Zelf beslissen.
Een rijbewijs halen.
Studeren of werken.
Uitgaan.
Misschien langzaam denken aan een eigen plek.
Je eigen geldzaken regelen.
Steeds iets minder afhankelijk worden van je ouders.
Bij ons ziet achttien er anders uit.
Ik ben inmiddels officieel curator van Wessel.
En wie denkt dat een achttiende verjaardag alleen bestaat uit taart, cadeautjes en een extra kaarsje uitblazen, of het eerste officiële biertje, heeft duidelijk nog nooit geprobeerd alles rondom de achttiende verjaardag van een zorgintensief kind te regelen.
Want achter dat ene getal blijkt een complete administratieve wereld schuil te gaan.
Formulieren. Aanvragen. Instanties. Zorg. Geldzaken. Verzekeringen. Nieuwe verantwoordelijkheden.
Dingen die veranderen omdat de kalender zegt dat je kind volwassen is.
Terwijl je kind op maandagochtend gewoon wakker wordt als precies dezelfde persoon die hij zondagavond voor zijn achttiende verjaardag ook was.
En misschien is dat wel het vreemde aan zulke mijlpalen.
De wereld trekt ergens een duidelijke streep.
Voor en na.
Maar het leven zelf doet dat helemaal niet altijd.
Achttien en toch gewoon Wessel
Voor Wessel betekende deze zomer veel.
Vakantie.
Uitstapjes.
Zijn verjaardag.
Veel aandacht.
Andere dagen dan normaal.
En daarna weer terug naar het gewone ritme en het starten van school.
Voor veel mensen zijn dat vooral leuke veranderingen.
Voor Wessel zijn veranderingen óók spanning.
Zelfs leuke dingen kunnen veel zijn.
Misschien juist leuke dingen.
Want enthousiasme is ook prikkeling.
Uitkijken naar iets is ook spanning. Niet precies weten hoe een dag gaat verlopen vraagt ook iets van je.
En als er veel van die dingen achter elkaar komen, merken we dat.
Zijn hoofd raakt voller.
Zijn behoefte aan duidelijkheid groter.
Zijn spanning loopt sneller op.
En inmiddels blijft het dan niet altijd meer bij onrust of boze woorden.
Wanneer spanning en overprikkeling te groot worden, kan die zich ook uiten in verbale en fysieke agressie.
Bij een klein jongetje is dat al ingewikkeld.
Bij een volwassen jongeman van inmiddels 106 kilo krijgt dat toch nét een andere dimensie.
Laat ik het erop houden dat je dan soms behoorlijk snel wordt herinnerd aan het feit dat je kind lichamelijk wél gewoon volwassen is.
Maar vanbinnen werkt dat heel anders.
En dat zie je niet alleen wanneer het moeilijk gaat.
Je ziet het soms juist in de dingen waar hij ontzettend blij van wordt.
Ziet Wessel ergens zo'n kinderautootje staan waar je een muntje in gooit en dat vervolgens een minuut heen en weer beweegt?
Dan wil hij erin.
Natuurlijk wil hij erin.
Dat wilde hij als klein jongetje en dat vindt hij nog steeds prachtig.
Een ballenbak?
Het liefst duikt hij ertussen.
Tussen de kleine kinderen.
Voor hem is daar helemaal niets vreemds aan.
Zijn interesses zijn niet ineens veranderd omdat er achttien kaarsjes op zijn verjaardagstaart stonden.
Alleen staat daar inmiddels geen klein jongetje meer.
Daar staat een jongeman van achttien.
Van 106 kilo.
En ineens wordt iets wat jarenlang gewoon onschuldig plezier was vreemd gevonden.
Of praktisch onmogelijk.
Of simpelweg niet meer wenselijk.
De ballenbak is niet veranderd.
Het autootje met dat muntje ook niet.
En eigenlijk is Wessels plezier erin ook niet veranderd.
Alleen zijn lichaam is doorgegroeid.
En de verwachtingen van de wereld zijn meegegroeid met dat lichaam.
Daar zit soms een verdriet in dat moeilijk uit te leggen is.
Want natuurlijk begrijp ik waarom een volwassen jongen van 106 kilo niet tussen een groep peuters in een ballenbak kan springen.
Ik begrijp waarom er grenzen zijn.
Maar tegelijkertijd zie ik óók degene die daar zo ontzettend graag in wil.
En die helemaal niet begrijpt waarom iets wat hem zoveel plezier geeft ineens niet meer voor hem bedoeld is.
En stiekem mag hij er nog steeds in wanneer het nog past en er geen kleintjes, of zelfs ouders, in de buurt zijn die er iets van kunnen vinden of er negatief op reageren.
Misschien is dat wel één van de hardste kanten van zijn volwassen worden.
Niet alleen dat sommige volwassen mijlpalen waarschijnlijk nooit zullen komen.
Maar ook dat hij langzaam uit sommige dingen groeit waar hij vanbinnen helemaal niet uit groeit.
Waar pas je als je niet in een hokje past?
En precies daarom houdt de vraag waar Wessel straks als volwassene past ons zo bezig.
De tijd van jeugd loopt langzaam ten einde.
Jarenlang bewogen we binnen een wereld van school, wonen, begeleiding en plekken die ingericht waren op kinderen en jongeren.
Nu begint er opnieuw een zoektocht.
Waar past Wessel als volwassen man?
En dat blijkt helemaal niet zo'n eenvoudige vraag.
Want Wessel laat zich eigenlijk al zijn hele leven niet gemakkelijk in een hokje stoppen.
Op papier is hij nu achttien.
Als je met hem praat, kun je gemakkelijk vergeten hoeveel ondersteuning hij eigenlijk nodig heeft.
Verbaal functioneert hij ongeveer op het niveau van een twaalfjarige.
Hij praat, maakt grapjes, vertelt wat hij wil en kan soms behoorlijk adrem uit de hoek komen.
Maar sociaal-emotioneel ligt zijn ontwikkeling rond de achttien maanden.
En ook in het dagelijks leven is hij nog sterk afhankelijk van anderen.
Ik help hem met aankleden.
Bij het douchen moet ik hem verbaal stap voor stap door iedere handeling heen begeleiden, want anders staat hij alleen te genieten van de waterstroom.
Ook bij kleine dagelijkse klusjes heeft hij steeds opnieuw aanwijzingen nodig.
En ja, ook op zijn achttiende veeg ik nog gewoon zijn billen af.
Dat laatste klinkt misschien heel alledaags.
Maar juist in zulke momenten voel ik soms hoe bijzonder onze werkelijkheid eigenlijk is.
Want degene die daar voor me staat is geen klein jongetje meer.
Het is een jongeman van achttien.
Eentje die me het ene moment verbaal behoorlijk van repliek kan dienen en het volgende moment mijn hulp nodig heeft bij iets wat de meeste kinderen al jong zelfstandig leren.
Wanneer zijn spanning oploopt, komen al die verschillende leeftijden bijna letterlijk bij elkaar.
Een volwassen lichaam.
Taal waarmee hij veel ouder lijkt.
Interesses die soms bij een veel jonger kind passen.
En vanbinnen een sociaal-emotionele ontwikkeling die maakt dat hij spanning nog helemaal niet kan reguleren zoals je van iemand van achttien zou verwachten.
En probeer dáár maar eens een hokje voor te vinden.
Want waar vind je een plek die niet alleen kijkt naar zijn kalenderleeftijd?
Waar ze zich niet laten misleiden door hoe goed hij kan praten?
Waar ze begrijpen waarom die ballenbak hem misschien nog steeds veel meer trekt dan iets wat volgens zijn kalenderleeftijd leuk zou moeten zijn?
Waar ze zijn afhankelijkheid niet verwarren met onvermogen?
Waar ze zijn mogelijkheden blijven zien, maar hem tegelijkertijd niet overvragen?
Waar ze stevig genoeg zijn om hem veiligheid en grenzen te bieden wanneer zijn spanning te groot wordt, en zacht genoeg om te blijven zien wie er achter dat gedrag zit?
Eigenlijk zoeken we opnieuw naar wat we al zijn hele leven voor hem proberen te vinden.
Niet het hokje waarin we Wessel passend kunnen maken.
Maar een omgeving waarin heel Wessel mag passen.
Rouwen om iemand die er gewoon is
Misschien is dat ook waarom deze achttiende verjaardag me meer doet dan alleen beseffen dat mijn kind volwassen is geworden.
Er zit een andere kant aan.
Want rond de achttiende verjaardag van hun kind beginnen veel ouders steeds meer los te laten.
Hun kind regelt zijn eigen bankzaken.
Maakt zelf afspraken.
Gaat studeren of werken.
Haalt misschien een rijbewijs.
Gaat alleen op vakantie.
Komt 's nachts thuis zonder precies te vertellen waar hij geweest is.
De zorg verschuift.
Je blijft moeder, maar je bent steeds minder nodig voor de dagelijkse dingen.
Bij ons kreeg volwassen worden een andere vorm.
Andere ouders laten rond hun achttiende steeds meer los.
Ik kreeg er een beschikking van de rechtbank bij.
En dat klinkt misschien wat zwart-wit.
Want natuurlijk laat ook ik Wessel op allerlei manieren steeds meer los.
En ook hij heeft stappen gezet waarvan ik jaren geleden niet wist of hij ze ooit zou zetten.
Als ik kijk naar het kleine jongetje van toen en de jongeman die er nu staat, zie ik hoeveel hij heeft geleerd.
Hoeveel hij kan.
Hoeveel hij heeft overwonnen.
Hoeveel mijlpalen er zijn geweest waarvan we ooit niet wisten of hij ze zou bereiken.
Soms kwamen ze later.
Soms anders.
Soms via een route die niemand vooraf had kunnen bedenken.
Maar ze kwamen.
En tegelijkertijd weet ik inmiddels ook dat er mijlpalen zijn die waarschijnlijk nooit zullen komen.
Dat is een vreemde werkelijkheid om als ouder in te leven.
Trots en verdriet kunnen daarin soms akelig dicht naast elkaar liggen.
Bijna tien jaar geleden schreef ik daar al eens over.
Wessel was toen acht.
Ons leven zag er totaal anders uit dan nu en toch schreef ik destijds een zin die ik vandaag nog steeds herken: Het is een dagelijks rouwproces over wat had kunnen zijn.
Ik dacht vroeger misschien dat acceptatie betekende dat dat gevoel uiteindelijk zou verdwijnen.
Dat je op een bepaald moment vrede hebt met hoe het leven loopt en dat daarmee ook het verdriet om wat niet gekomen is langzaam oplost.
Inmiddels weet ik dat het zo niet werkt.
Je kunt iets volledig accepteren en er soms toch verdriet om hebben.
Je kunt intens gelukkig zijn met het kind dat je hebt en tegelijkertijd geraakt worden door het leven dat hij niet zal krijgen.
Je kunt ontzettend trots zijn op iedere stap die hij zet en tegelijkertijd voelen wat het betekent dat sommige andere stappen nooit zullen volgen.
Het één haalt niets van het ander af.
Het bestaat naast elkaar.
Dat is het vreemde van levend verlies.
Het hoort niet bij één gebeurtenis die je kunt verwerken en daarna achter je kunt laten.
Het reist met je mee.
Soms bijna onzichtbaar.
Soms maanden of jaren zonder dat het zich nadrukkelijk laat zien.
En dan komt er ineens zo'n mijlpaal.
Achttien.
En staat het weer even naast je.
Niet alleen om zichtbaar te maken wat er niet is.
Maar misschien juist ook om je te laten zien hoeveel er ondertussen wél is gekomen.
Waar passen wij eigenlijk zelf?
De zoektocht naar een nieuwe plek voor Wessel houdt me de laatste tijd bezig.
Niet alleen omdat ik wil weten waar hij straks kan wonen, zijn dagen kan doorbrengen en verder kan groeien.
Er zit nog iets onder.
Voor Wessel vinden we het namelijk volkomen vanzelfsprekend dat we niet alleen kijken
wat híj moet leren om ergens te kunnen functioneren.
We kijken óók naar de omgeving.
Past deze plek bij hem?
Begrijpen de mensen daar hoe hij in elkaar zit?
Wordt hij er niet overvraagd?
Blijven ze zijn mogelijkheden zien?
Is er ruimte voor zijn enthousiasme én voor zijn behoefte aan rust en veiligheid?
Kan hij er ontwikkelen zonder voortdurend iemand te moeten worden die hij niet is?
We weten inmiddels heel goed dat je Wessel niet eindeloos kunt aanpassen aan een omgeving die niet bij hem past.
Soms kan hij iets leren.
Soms kunnen we hem beter voorbereiden.
Soms moet hij oefenen.
Soms zijn duidelijke grenzen nodig.
Maar soms is de conclusie simpelweg:
Dit is niet de juiste plek voor hem.
En misschien vind ik het daarom zo bijzonder dat we diezelfde vraag bij onszelf vaak veel minder gemakkelijk stellen.
Wanneer wij ergens niet helemaal tot ons recht komen, kijken we meestal eerst naar binnen.
Wat doe ik verkeerd?
Wat moet ik veranderen?
Moet ik rustiger zijn?
Meer zeggen?
Minder zeggen?
Meer initiatief nemen?
Minder aanwezig zijn?
Moet ik mezelf aanpassen om beter in het plaatje te passen?
En natuurlijk is het goed om naar jezelf te kunnen kijken.
Ik hoop zelfs dat ik dat mijn hele leven blijf doen.
Maar er zit een verschil tussen jezelf ontwikkelen en jezelf passend proberen te maken.
Misschien is het niet toevallig dat juist deze vraag de afgelopen tijd zo vaak bij me terugkomt.
Ook tijdens het schrijven van de Noordsterlijn voor september liep dezelfde gedachte als een rode draad door alles heen:
Je hoeft niet zachter te schijnen om te groeien.
Want wanneer vraagt groei dat je iets aan jezelf verandert?
En wanneer mag je juist ontdekken dat iets helemaal niet veranderd hoeft te worden?
In de Noordsterlijn gaan we iedere maand samen wat dieper op zulke vragen in.
Niet als iets wat je ergens op de website kunt lezen, maar als een persoonlijke lijn die rechtstreeks naar je mailbox komt wanneer je ervoor kiest om mee te wandelen.
September gaat over helderheid.
Over verfijnen zonder jezelf te verkleinen.
Over ontdekken wat werkelijk van jou is, en waar jouw eigen licht misschien wat meer ruimte mag krijgen.
Wil je iedere maand met me meelopen?
Meld je dan aan voor de Noordsterlijn en ontvang september rechtstreeks in je mailbox.
→ Wandel mee met de Noordsterlijn
Hoe fel mag je eigenlijk schijnen?
Daar heb ik de afgelopen tijd veel over nagedacht.
Want ook ik ben enthousiast.
Nieuwsgierig.
Ik stel vragen.
Ik wil begrijpen waarom dingen gaan zoals ze gaan.
Mijn hoofd legt soms al verbanden terwijl een ander nog midden in het verhaal zit.
Als ik ergens mogelijkheden zie, wil ik daarover praten.
Als iets me raakt, voel ik het meestal behoorlijk.
En als ik ergens enthousiast over ben, hoef je doorgaans niet heel lang te raden óf ik enthousiast ben.
Dat is wie ik ben.
Betekent dat dat ik nooit naar mezelf hoef te kijken?
Natuurlijk niet.
Soms mag ik luisteren voordat ik alweer drie nieuwe gedachten op tafel leg.
Soms hoeft niet iedere gedachte die door mijn hoofd schiet onmiddellijk de wereld in.
Soms heeft een ander ruimte nodig.
Dat is geen dimmen.
Dat is bewust omgaan met je licht.
Maar er zit een grens aan hoeveel je jezelf moet aanpassen om ergens te passen.
Want wat als je jouw lamp steeds een stukje wegdraait?
Het licht wat zachter maakt.
Er nog een kap overheen zet.
Voor de zekerheid nog een stap naar achteren doet.
Tot niemand er meer last van heeft...
maar jij jezelf eigenlijk ook nauwelijks meer herkent?
Dan ligt het misschien niet meer aan de manier waarop je schijnt.
Misschien sta je gewoon in de verkeerde ruimte.
Niet ieder licht hoort in iedere kamer
Niet iedereen hoeft mijn enthousiasme prettig te vinden.
Niet iedereen zit te wachten op mijn vragen, ideeën, nieuwsgierigheid of behoefte om nét iets verder te denken.
Dat hoeft ook helemaal niet.
Net zo als ik niet met ieder mens een klik hoef te voelen en niet iedere omgeving mij energie hoeft te geven.
Maar de conclusie hoeft daardoor ook niet automatisch te zijn dat ik minder enthousiast moet worden.
Minder vragen moet stellen.
Minder moet meedenken.
Minder aanwezig moet zijn.
Misschien mag ik ook zoeken naar de mensen en plekken waar precies die eigenschappen worden gewaardeerd.
Waar iemand niet denkt:
Kan dat licht misschien iets zachter?
Maar:
Hé, fijn. Nu kan ik iets zien wat ik eerder nog niet zag.
Misschien is dát wel een vorm van jezelf leren kennen die we gemakkelijk vergeten.
We zijn zo gewend om bij wrijving naar binnen te kijken.
Wat moet ik anders doen?
Waar moet ik aan werken?
Hoe kan ik beter aansluiten?
Allemaal waardevolle vragen.
Maar er hoort er nog eentje bij.
Past deze ruimte eigenlijk wel bij mij?
En soms is zelfs die vraag niet eenvoudig.
Want niet iedereen heeft de luxe om simpelweg een andere kamer binnen te lopen.
Dat zie ik misschien wel het duidelijkst bij Wessel.
Soms bestaat de passende kamer niet zomaar.
Soms moet je lang zoeken.
Soms moet je verschillende deuren openen en ontdekken dat het achter geen ervan helemaal klopt.
En soms moet er samen met anderen een beetje geschoven, aangepast en gebouwd worden om een ruimte te creëren waarin iemand wél tot zijn recht kan komen.
Maar ook dan begint het volgens mij bij hetzelfde.
Niet bij de vraag:
Hoe maken we deze persoon passend voor de ruimte die we toevallig hebben?
Maar bij:
Wat heeft deze persoon nodig om hier zichzelf te kunnen zijn én zich verder te kunnen ontwikkelen?
Verfijnen zonder jezelf te verliezen
Misschien is groeien daarom niet alleen leren hoe je jezelf inzet.
Het is ook steeds beter herkennen waar je tot je recht komt.
Waar je mag verfijnen zonder jezelf te verloochenen.
Waar je rekening kunt houden met een ander zonder voortdurend rekening te moeten houden met het feit dát je er bent.
Waar je niet kleiner hoeft te worden om passend gemaakt te kunnen worden.
Eigenlijk is dat precies wat we nu voor Wessel zoeken.
Een plek waar hij nog ontzettend veel mag leren.
Waar mensen hem grenzen geven wanneer dat nodig is.
Waar hij wordt uitgedaagd om nieuwe stappen te zetten.
Maar waar de basis niet is dat Wessel eerst anders moet worden voordat hij er mag passen.
Een plek waar heel Wessel mag bestaan.
Misschien mogen we onszelf datzelfde gunnen.
Niet iedere scherpe kant hoeft gekoesterd te worden omdat hij nou eenmaal bij je hoort.
Niet ieder patroon is heilig.
Niet ieder gedrag is iets waarvan je kunt zeggen:
Zo ben ik nu eenmaal.
We mogen groeien.
Leren.
Luisteren.
Veranderen.
Verfijnen.
Maar ontwikkeling is iets anders dan jezelf steeds verder verwijderen van wie je bent.
Misschien is dát wel de fluistering die september mij brengt.
Kijk eerlijk naar jezelf.
Naar wat aandacht nodig heeft.
Naar wat je kunt leren.
Naar waar je misschien iets anders mag doen.
Maar kijk minstens zo eerlijk naar wat helemaal niet gerepareerd hoeft te worden.
Naar wat gewoon van jou is.
Naar wat misschien op de verkeerde plek als te veel voelt, maar ergens anders precies datgene is wat nodig is.
Je hoeft niet in iedere ruimte te passen.
Je hoeft niet voor iedereen het juiste licht te zijn.
Soms mag je je licht anders richten.
Soms mag je leren hoe je ermee omgaat.
Soms mag het wat zachter omdat je bewust ruimte wilt maken voor iemand anders.
Maar je hoeft jezelf niet steeds verder te dimmen totdat je eindelijk niemand meer verblindt.
Misschien is het niet altijd de bedoeling dat je zachter gaat schijnen.
Soms moet je gewoon een andere kamer binnenlopen.
En als die kamer niet vanzelf bestaat?
Dan hoop ik dat je de mensen vindt met wie je haar kunt maken.
Een plek waar je mag groeien.
Waar je mag leren.
Waar je soms best een beetje mag schuren.
Maar waar je niet eerst een deel van jezelf bij de deur hoeft achter te laten om binnen te mogen komen.
Misschien is dat uiteindelijk wel wat we allemaal zoeken.
Niet een wereld waarin alles zich aan ons aanpast.
Maar een plek waarin er voldoende ruimte is om helemaal mens te mogen zijn.
Met alles wat nog mag groeien.
En alles wat helemaal niet veranderd hoeft te worden.
Liefs,
Wiarda
❤️
Uit mijn oude verhalen
Bijna tien jaar geleden schreef ik al over het bijzondere rouwproces dat hoort bij het ouderschap van een kind dat zich anders ontwikkelt.
Wessel was toen acht.
Nu hij achttien is, is ons leven op bijna alle fronten veranderd.
En toch herken ik de moeder die dat verhaal toen schreef nog steeds.
Lees hier: Schuldgevoel en (ver)oordelen
Reactie plaatsen
Reacties